Kerstbonus

‘Het voelt alsof ik elke dag een kerstbonus krijg,’ zei de breed geschouderde Navy Seal tegen een dame in nood.

Het ging over hoe het vervullen van zijn eerder genoemde baan voelt. De spanning en wetenschap dat elke dag zijn laatste kon zijn hielden hem op de been. Dat en wanneer hij zijn handen erop kon krijgen, een wellustige dame, vooral in nood.

De kerstbonus referentie in te tv-serie deed me denken aan andere bedrijfstakken waar ze kerstbonussen innen. En bij deze heb ik het niet over een extraatje van honderd euro. Neen. De graaiers die tonnen weggrissen onder de handen van hard werkende belastingbetalers. Ik wil niet insinueren dat de graaiers niet hard werken, maar het voelt op zoveel manieren onjuist dat het verschil onoverkoombaar groot is.

‘Waarom is hij in hemelsnaam huisarts geworden?’ vroeg ik zwaar ontdaan aan mijn vriendin. ‘Het voelt alsof hij daar zit om mij tegen te werken. Ik moet alles uit hem trekken. Hij komt met geen enkel eigen idee of initiatief. Het is alsof we tegenwoordig alles zelf moeten zijn en zelf moeten doen. Ik heb niet gestudeerd om arts te worden. Hij wel,’ met een trillende vinger wees ik in de richting van het huizenblok aan de balkonkant van mijn woning.

Het enige wat mijn vriendin kon uitbrengen was: ‘Geld.’

Ik krabde aan mijn voorhoofd opende mijn mond. Deed deze weer dicht. Opende hem opnieuw en deed hem weer dicht. Hoofdschuddend keek ik naar de negen doosjes medicijnen op tafel. In een week tijd had mijn arts het gepresteerd om me vier soorten pijnstillers voor te schrijven, twee soorten kalmeringsmiddelen, twee soorten zalfjes en een antibioticakuur. Ik kon niet anders dan instemmen met haar antwoord. Geld. De huisarts moest een soort provisie krijgen voor het uitschrijven van al deze medicatie. Het feit dat ik nog steeds niet wist wat ik onder de leden had, boeide hem blijkbaar niet.

Misschien ligt het aan mijn naïviteit. Laat ik eerst mijn hand in eigen boezem steken voordat ik hem in andermans boezem plemp. Ik ben de meester van naïviteit. Ik heb het zowaar tot kunst verheven om iedereen die ik niet ken, het voordeel van de soms immens grote twijfel te geven. Ik vertrouw mensen totdat het tegendeel bewezen is. En als dat tegendeel dan bewezen is probeer ik alleen het goede in diegene te zien. Naïef? Zeker. Stom? Soms. Vreet het aan mezelf? Altijd. Dus, wie is er hier nu de stommeling? De arts die zijn studie afrondde, dag in dag uit twintig mensen ontving, recepten uitschreef en er uiteindelijk achter kwam dat dit niet zijn levensroeping was om vervolgens maar voor het grote geld te kiezen? Of de naïeve patiënt die hoopt op de goedheid en integriteit van de arts omdat hij zowaar een eed heeft moeten afleggen die door de Griekse arts Hippocrates in het leven is geroepen.

De eed van Hippocrates is letterlijk vertaald het meest integer. Echter is door de jaren heen de betekenis en vertaling enigszins selectief uitgedragen. Dus, laat ik nu eens hetzelfde doen en lekker selectief naar de eed kijken.

‘Moge ik, als ik deze eed getrouwelijk houd, vreugde vinden in mijn leven en in de uitoefening van mijn kunst, maar moge het tegenovergestelde het geval zijn indien ik hem schend.

Als mijn arts zijn eed getrouwelijk heeft gevolgd, dan zou hij vreugde vinden in zijn leven. Op de manier waarop mijn arts achter zijn bureau zit, zou ik nog meer vreugde vinden op een begraafplaats. Waarschijnlijk komt dat omdat hij de eed niet getrouw heeft gevolgd en hem heeft geschonden.

Eigenlijk moet er nog een zin opgenomen worden in de eed: ‘Als ik niet weet wat de aandoening betreft, zal ik niet zomaar – willens en wetens dat de medicatie die ik ga voorschrijven mij een kerstbonus oplevert – de gezondheid van mijn patiënt in gevaar brengen door hem bloot te stellen aan gruwelijke bijwerkingen.’

Het is een lange zin, vertel mij wat. Misschien is dat de reden dat hij niet is opgenomen in de eed. Misschien was de ruimte op het stuk papyrus wel op. Maar ik vind de zin wel verdomd belangrijk. Niet alleen in het belang van mijn eigen gezondheid, maar ook voor de gezondheid van de mensheid. Zolang er provisies uitgeschreven worden naar de hoeveelheid van het aantal voorgeschreven medicijnen, zal het een onmogelijke taak blijken om integere en rechtschapen artsen te vinden. En laat ik voorop stellen dat dit stuk schrijven niet bedoeld is als een heksenjacht op artsen. Artsen zijn nodig. Vooral in acute situaties. Bij een gebroken been wil ik alleen maar geholpen worden door een arts. Daarom wil ik de gehele groep niet over een kam scheren. Er zijn vast en zeker overal ter wereld jonge artsen die gedreven en hartstochtelijk hun ambt bekleden. Maar er kleven simpelweg een aantal haken en ogen aan dat arts-zijn.

Natuurlijk ben ik niet helemaal van gisteren en weet ook dat wanneer de artsen iemand genezen, ze geen patiënten meer hebben en dus eigenlijk overbodig worden. Dus is het in hun eigen belang om de patiëntenstroom zo constant en het liefst groeiende te houden. Dat is net als bij een restaurant, winkel of elke andere op winst gebaseerde onderneming.

Als je maar lang genoeg in het behoeftige circuit circuleert, kom je er achter dat de bedrijfsarts als het ware de leverancier is. De internist is de restauranthouder, de neuroloog is de drie Michelin-sterren kok en de huisarts is de cafébaas.

Zo verwees de bedrijfsarts mij door naar de internist. Om daar een afspraak te kunnen maken had ik een verwijsbrief nodig van de huisarts. Die bleek mooi op vakantie te zijn, uiteraard met het geld van de kerstbonus. Het betekende wel dat ik tijdens het verlof van de praktijk maar mooi twee weken thuis moest wachten op de terugkeer van de gebruinde arts. Oh, die twee weken konden nog wel bij de tien weken die ik al thuis op de bank lag te creperen van de pijn. De neuroloog had bij haar onderzoek niet kunnen vinden waar ze naar op zoek was en adviseerde me om maar ‘gewoon’ te beginnen met de antibiotica kuur die mijn huisarts vier weken eerder al had voorgeschreven zonder dat hij de oorzaak van mijn klachten kende.

Uiteindelijk weten we met al die specialisten en al die geleerde koppen nog niet wat het is. Maar, hey, ze weten wel hoe riant de kerstbonus van dit jaar er uit zal zien. Chapeau. Ik ga me omscholen tot schrijvende arts. Niet!

Geef de kerstbonus maar aan de Navy Seal. Dan heb ik tenminste nog het idealistische en het hoogst naïeve beeld dat hij in elke aflevering van de serie de wereld, en daarmee alle integere en rechtschapen artsen redt.

 

Tot gauw,

 

 

Ber Runderkamp

Advertentie

Koffie en aspirine

De koffiemachine vulde de keuken met de chemische geur van aspirine. De associatie deed mijn tong bitter uitslaan. Telkens wanneer ik aspirine nam, rook ik gebrande bonen.

‘Het is beter als u een tijdje even geen koffie meer drinkt,’ zei mijn arts laatst. Ze balde haar vuist en klopte op het overvolle bureau om haar stelling kracht bij te zetten.

Ik was nog niet overtuigd en vroeg haar voor hoe lang dan.

‘Voor zolang het nodig blijkt,’ was haar politieke antwoord. Alsof ze zich dan niet kon branden aan loze beloften over het verloop van de klachten die ik aan haar had gepresenteerd.

‘Maar ik schrijf altijd onder het genot van een stomende mok koffie. Daar leef ik op. Dat is olie voor mijn motor,’ ik knikte om mijn verhaal bijval te geven. ‘Oké, dan laat ik die wel staan. En mijn ochtendkoffie?’ vroeg ik enigszins verbijsterd over de blik in haar ogen waarmee ze mij adresseerde.

Ze meende het echt.

‘Dat is toch ook koffie? Als ik zeg dat u koffie beter kunt laten staan, dan bedoel ik alle koffie. Ook de decaf, cappuccino en alle latte/frappuccino en verkeerde koffie afgeleiden,’ er klonk irritatie door in haar opsomming.

Ze leek me opeens meer een koffie-expert dan arts. Toch begon ik niet meer over het bittere goedje dat mijn slapende hoofd wakker maakt op onchristelijke tijden.

Een paar weken later werd ik rond twee uur ’s nachts wakker. De geur van gebrande koffiebonen dreef door mijn kamer. Dit was onmogelijk want ik had al weken geen koffie meer gedronken. De bonen had ik in de ban gedaan door ze in een kluis te stoppen en de code door mijn moeder in te laten stellen. De avond ervoor had ik twee aspirine genomen op advies van dezelfde arts. Misschien kwam daar de associatie met koffie wel vandaan. Immers zijn de twee allebei bitter van smaak, hebben ze invloed op je gemoed en lossen ze allebei nooit helemaal op in water.

De volgende ochtend nam ik opnieuw twee aspirine en verbaasde me over de geur van gebrande bonen.

Toen ik twee weken later mijn eerste kopje koffie dronk prikkelde de chemische bitterheid mijn neus. Ik had het gevoel te dromen. Op bezoek bij de arts vertelde ik mijn opzienbarende waarneming.

‘Heb je normale aspirine geslikt?’ vroeg ze glimlachend.

‘Hoezo, er bestaat toch maar een soort?’

‘Tegenwoordig heb je ze ook met koffiesmaak. Maar wees gerust, dat valt niet onder koffie. Ik ben trots op je,’ ze stond op en hield de deur open. ‘Nu wil ik dat u drie weken geen koffie drinkt en geen aspirine slikt.

Ik keek haar verbaasd aan en volgde onwillig haar wenkende handen naar de uitgang. Zodra ik buiten stond kreeg ik een onuitstaanbaar verlangen naar aspirine en de geur van gebrande koffiebonen.

 

Tot gauw,

 

Ber Runderkamp