Plotwending

En toen werd ze van achteren geraakt. Ze viel op de vloer en er vormde zich al snel een steeds groter wordende plas bloed.

Zo eindigde een aflevering van een serie die ik volg. ‘The Bridge’ is van Zweeds/Deense makelij. Qua script briljant en de karakters worden uitermate sterk neergezet. De serie behandelt elk seizoen wel één of meerdere actuele onderwerpen: Politiek, immigratie, racisme, beleidsvormen in de psychiatrie, weeshuizen of de daklozen.
Terwijl ik naar de serie kijk verbaas ik mezelf over de onverwachte wendingen. Als schrijver zijnde probeer je zelf verbanden te leggen en plotwendingen te bedenken. Toch blijft de serie mij verrassen. Dat hoop ik met mijn tweede boek ook te kunnen, en daarbij ook de valkuil van de cliché’s te vermijden. Dat is lastig, vooral in deze tijdsgeest, waarin al zoveel geschreven is, alles lijkt al een keer gedaan. Nu is het zaak om het in een ander jasje te verpakken.
Mijn voorspelling voor de volgende aflevering? Het personage dat aangevallen werd, overleeft het ternauwernood, maar ligt een paar dagen/weken in coma, waardoor haar collega’s op zichzelf aangewezen zijn en meer zelfkennis opdoen.
Hopelijk verrassen de schrijvers van de serie me opnieuw, want als ik het zo schrijf, klinkt het afgezaagd en saai. Laat ik natuurlijk de filmmakers niet vergeten, zij brengen het script, samen met de acteurs, tot leven in een nieuwe wereld. En wat voor een wereld wordt er in ‘The Bridge’ gecreëerd…

Advertenties

Empathie

‘Ik juich het toe, want het meisje – ik kwam er later achter dat ze lid is van de antifascistische communisten – als er een paar van hun sterven, doet dat ons niks,’ zei de blanke leider van een aan de Ku Klux Klan gelieerde beweging. ‘Ze vallen ons altijd aan en verstoren onze bijeenkomsten.’

De voice over die de reportage over de gebeurtenissen in Charlottesville versloeg, voegde daar nog aan toe dat de Ku Klux Klan rassenscheiding verplicht in de bijbel opgenomen wil zien. Dit toont ook maar weer het karakter van het Heilige schrift. Door wie werd dat opgesteld? Door wie werd de Bijbel geschreven? Wie profiteerden het meest van de woorden die uitgedragen werden door godsdienstigen? En deze vraagstellingen geldt niet alleen voor de Bijbel, maar voor al die andere zogenaamde heilige geschriften.

Afgezien van de walging en de verbazing over de opvattingen van bovengenoemde mensen, besef ik als blanke dertiger maar al te goed dat ik, zelfs in dit tijdsgewricht bevoorrecht ben. Zolang er mensen zijn die t-shirts dragen met daarop ‘white lives matter more’ in reactie op mensen die t-shirts dragen met daarop ‘black lives matter’ en vervolgens een groep ontstaat die t-shirts draagt met daarop ‘all lives matter’ zullen we haatdragende groepen zien, die beginnen als gefrustreerde individuen.

Als je het hele verhaal ontleedt, kom je uiteindelijk uit bij empathie en inlevingsvermogen. Het besef dat we – rassenbenoeming daargelaten – allemaal mensen zijn die dezelfde aarde bewonen, moet als eerste opborrelen als de discussie over racisme weer oplaait. Uiteraard spelen alle rassen een rol in dit verhaal. Het verleden is altijd al een heet hangijzer geweest. ‘Jouw voorouders hebben die van mij vermoord,’ de huidige generaties worden constant herinnert aan iets dat de voorgaande generaties hebben bewerkstelligt. Dat wordt constant voor de voeten gegooid. Het is tijd dat we stoppen met leven in het verleden. Ik zeg niet dat we het verleden moeten vergeten. Erkennen, dat vooral. Excuses maken waar dat nodig is, en vergeven voor zover iemand daar aan toe is.

Voormalig president Barack Obama liet in navolging op het incident een tweet de wereld in gaan: “No one is born hating another person because of the color of his skin or his background or his religion…” “People must learn to hate, and if they can learn to hate, they can be taught to love…”

Het is spijtig dat voormalig president Obama de uitspraak van Nelson Mandela moet aanhalen om mensen weer even uit het heetst van de strijd te halen, een stap naar achteren te laten maken en boven de emoties uit laat rijzen om te beseffen dat we allemaal mensen zijn. Dat de leider van het (in bepaalde opzichten) machtigste land ter wereld niet weet hoe hij moet reageren na een incident zoals dat in Charlottesville, is natuurlijk nog schrijnender te noemen. Dan te bedenken dat de Amerikanen voor hem gekozen hebben. Dat zegt eigenlijk al genoeg. En voor degene die nu moord en brand willen schreeuwen dat Hilary Clinton geen haar beter is als de walgelijke narcist die nu met het lot van niet alleen Amerika maar de hele wereld speelt: Nee, misschien niet. Maar een vrouw aan het hoofd van de Verenigde Staten had meer empathie in de wereld gebracht. Misschien niet door Hilary Clinton zelf, maar door alle vrouwen van de wereld. Zij waren gaan staan, zij hadden het voortouw genomen. Zij hadden in hun kracht gaan staan en kinderen hadden zich veilig gevoeld. Nu een vrouwenhater de scepter zwaait moeten we van nul af aan beginnen. Niet alleen in het bekrachtigen van de moederschoot, maar ook op het gebied van racisme, het naziregime, fascisme en het eerdergenoemde empathie en inlevingsvermogen.

Laat onze generatie de generatie zijn die verbroedert, die vergeeft, die zich inleeft en meevoelt. Dat scheelt de volgende generaties een hoop pijn en moeite.

Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde. Geliefd zijn, lief hebben en een dak boven ons hoofd. Laten we allemaal een beetje lief zijn voor President Trump en zijn vrouw. Misschien krijgt de wereld dat dan wel terug.

 

Tot gauw,

 

 

 

Ber Runderkamp

Tere vingers

‘Je houdt ze aan de lijn hoor!’ schreeuwde ik met mijn hart bonzend in mijn keel.

De twee grote Argentijnse jachthonden kwamen met grote ogen op me af. Net voordat ze aan mijn benen konden ruiken of er hun tanden in konden zetten, trok de eigenaresse ze naar zich toe.

‘Sorry hoor,’ zei de eigenaresse ietwat beschaamd en geschrokken. Waarschijnlijk krijgt ze nooit zulke uitspattingen naar haar hoofd geslingerd. ‘Ze doen niets.’

‘Nee, maar dat weet ik toch niet van tevoren. Het lijken wel paarden. Wat geeft je ze te eten?’ vroeg ik zuchtend en liep met een grote boog om de twee en de eigenaresse heen. ‘Postbodes die hun werk niet goed doen?’ vroeg ik met een flauwe glimlach rond mijn mond.

‘Oh, nee die geef ik aan bij PostNL.’

‘Denkt je dat dat iets geeft?’ Terwijl ik de vraag stelde dacht ik aan die keer dat ik post bezorgde op een adres waarvan ik wist dat ze een hond hadden. Elke keer als ik daar kwam en de post halverwege door de brievenbus had geduwd, werden de brieven uit mijn handen gegrist en verscheurd. Ik was het op een gegeven moment zo zat, dat ik geen moeite meer deed om de post er volledig doorheen te duwen. Laat ik voorop stellen dat ik dat alleen bij adressen doe waarvan ik weet dat ze agressieve honden hebben. Ik ga voor een kwatloontje geen vingers riskeren.

Dat heb ik nooit begrepen hoor, mensen die hun honden vrijelijk in het halletje laten marcheren wanneer er niemand thuis is. Om vervolgens te klagen dat hun post verscheurd of nat wordt bezorgd. Hou die kwijlbeesten eens uit de buurt van de post en de bezorger. En owee als iemand het lef heeft om te zeggen: ‘Blaffende honden bijten niet.’

Blaffende honden bijten niet, totdat ze wel bijten. En dan weer lekker achteraf zwetsen, oh, ja, het zal wel aan de persoon liggen, of de hond kan je angst voelen. Acht flikker toch op. Er zijn muilkorven uitgevonden en hij kan aan de lijn.

Nu de zomermaanden weer aangebroken zijn(af en toe in Nederland), komen er als postbezorger zijnde steeds weer die irritaties van adressen die hun buitendeur open hebben staan maar het tuinhekje dicht. Het geeft de hond alle ruimte om mij en mijn collega’s op te wachten. Wat ik bij chiuahua’s beslist niet erg vind. Maar zodra er Amerikaanse bulldogs loslopen en blaffen alsof het de laatste dag op aarde is, dan krijg ik al gauw de neiging om de post op straat te flikkeren en gauw door te lopen. Ik begrijp als postbode heel goed het belang van de post. Het op tijd en correct bezorgen is voor mij als postbezorger dan ook mijn levensmissie. Maar als dit de veiligheid en het welzijn van mezelf en collega’s in gevaar brengt dan liggen die blauwe brieven of andere rekeningen – waar iedereen altijd zo over klaagt – net zo goed op tegels als op de deurmat.

Ik heb collega’s die gebeten zijn. Ik heb collega’s die achtervolgd zijn op hun fiets terwijl het dier naar hun enkels beten. Zelf heb ik een hond een doodschop moeten geven om te voorkomen dat hij mij in stukken scheurde. Je zou kunnen stellen dat het valt onder het kopje ‘risico van het vak’. Als dat zo is, dan wil ik daar graag gevarengeld voor. Zolang dat niet betaald wordt, houd ik mijn vingers netjes buiten de brievenbus of voor het tuinhekje en valt maar te bezien hoe de post uiteindelijk bij de geadresseerde terecht komt.

Laat ik als afsluiter nog benoemen dat ik absoluut geen aversie heb tegen honden. Integendeel, ik vind het ontzettend loyale vrienden. Voor vele mensen zijn ze zelfs meer dan een hecht familielid. Ik heb een kwijlende hond als achtergrondscherm op mijn computer en Hachi: A Dogs Tale is een van mijn favoriete tranentrekkende films.

Als de post belangrijk wordt geacht en de hond dierbaar, denk dan ook eens aan de postbode en zijn tere vingers. Misschien is gitaarspelen wel een hobby van hem en laat dat nou een beetje moeilijk gaan zonder vingers.

 

Tot gauw,

 

Ber Runderkamp

Kerstbonus

‘Het voelt alsof ik elke dag een kerstbonus krijg,’ zei de breed geschouderde Navy Seal tegen een dame in nood.

Het ging over hoe het vervullen van zijn eerder genoemde baan voelt. De spanning en wetenschap dat elke dag zijn laatste kon zijn hielden hem op de been. Dat en wanneer hij zijn handen erop kon krijgen, een wellustige dame, vooral in nood.

De kerstbonus referentie in te tv-serie deed me denken aan andere bedrijfstakken waar ze kerstbonussen innen. En bij deze heb ik het niet over een extraatje van honderd euro. Neen. De graaiers die tonnen weggrissen onder de handen van hard werkende belastingbetalers. Ik wil niet insinueren dat de graaiers niet hard werken, maar het voelt op zoveel manieren onjuist dat het verschil onoverkoombaar groot is.

‘Waarom is hij in hemelsnaam huisarts geworden?’ vroeg ik zwaar ontdaan aan mijn vriendin. ‘Het voelt alsof hij daar zit om mij tegen te werken. Ik moet alles uit hem trekken. Hij komt met geen enkel eigen idee of initiatief. Het is alsof we tegenwoordig alles zelf moeten zijn en zelf moeten doen. Ik heb niet gestudeerd om arts te worden. Hij wel,’ met een trillende vinger wees ik in de richting van het huizenblok aan de balkonkant van mijn woning.

Het enige wat mijn vriendin kon uitbrengen was: ‘Geld.’

Ik krabde aan mijn voorhoofd opende mijn mond. Deed deze weer dicht. Opende hem opnieuw en deed hem weer dicht. Hoofdschuddend keek ik naar de negen doosjes medicijnen op tafel. In een week tijd had mijn arts het gepresteerd om me vier soorten pijnstillers voor te schrijven, twee soorten kalmeringsmiddelen, twee soorten zalfjes en een antibioticakuur. Ik kon niet anders dan instemmen met haar antwoord. Geld. De huisarts moest een soort provisie krijgen voor het uitschrijven van al deze medicatie. Het feit dat ik nog steeds niet wist wat ik onder de leden had, boeide hem blijkbaar niet.

Misschien ligt het aan mijn naïviteit. Laat ik eerst mijn hand in eigen boezem steken voordat ik hem in andermans boezem plemp. Ik ben de meester van naïviteit. Ik heb het zowaar tot kunst verheven om iedereen die ik niet ken, het voordeel van de soms immens grote twijfel te geven. Ik vertrouw mensen totdat het tegendeel bewezen is. En als dat tegendeel dan bewezen is probeer ik alleen het goede in diegene te zien. Naïef? Zeker. Stom? Soms. Vreet het aan mezelf? Altijd. Dus, wie is er hier nu de stommeling? De arts die zijn studie afrondde, dag in dag uit twintig mensen ontving, recepten uitschreef en er uiteindelijk achter kwam dat dit niet zijn levensroeping was om vervolgens maar voor het grote geld te kiezen? Of de naïeve patiënt die hoopt op de goedheid en integriteit van de arts omdat hij zowaar een eed heeft moeten afleggen die door de Griekse arts Hippocrates in het leven is geroepen.

De eed van Hippocrates is letterlijk vertaald het meest integer. Echter is door de jaren heen de betekenis en vertaling enigszins selectief uitgedragen. Dus, laat ik nu eens hetzelfde doen en lekker selectief naar de eed kijken.

‘Moge ik, als ik deze eed getrouwelijk houd, vreugde vinden in mijn leven en in de uitoefening van mijn kunst, maar moge het tegenovergestelde het geval zijn indien ik hem schend.

Als mijn arts zijn eed getrouwelijk heeft gevolgd, dan zou hij vreugde vinden in zijn leven. Op de manier waarop mijn arts achter zijn bureau zit, zou ik nog meer vreugde vinden op een begraafplaats. Waarschijnlijk komt dat omdat hij de eed niet getrouw heeft gevolgd en hem heeft geschonden.

Eigenlijk moet er nog een zin opgenomen worden in de eed: ‘Als ik niet weet wat de aandoening betreft, zal ik niet zomaar – willens en wetens dat de medicatie die ik ga voorschrijven mij een kerstbonus oplevert – de gezondheid van mijn patiënt in gevaar brengen door hem bloot te stellen aan gruwelijke bijwerkingen.’

Het is een lange zin, vertel mij wat. Misschien is dat de reden dat hij niet is opgenomen in de eed. Misschien was de ruimte op het stuk papyrus wel op. Maar ik vind de zin wel verdomd belangrijk. Niet alleen in het belang van mijn eigen gezondheid, maar ook voor de gezondheid van de mensheid. Zolang er provisies uitgeschreven worden naar de hoeveelheid van het aantal voorgeschreven medicijnen, zal het een onmogelijke taak blijken om integere en rechtschapen artsen te vinden. En laat ik voorop stellen dat dit stuk schrijven niet bedoeld is als een heksenjacht op artsen. Artsen zijn nodig. Vooral in acute situaties. Bij een gebroken been wil ik alleen maar geholpen worden door een arts. Daarom wil ik de gehele groep niet over een kam scheren. Er zijn vast en zeker overal ter wereld jonge artsen die gedreven en hartstochtelijk hun ambt bekleden. Maar er kleven simpelweg een aantal haken en ogen aan dat arts-zijn.

Natuurlijk ben ik niet helemaal van gisteren en weet ook dat wanneer de artsen iemand genezen, ze geen patiënten meer hebben en dus eigenlijk overbodig worden. Dus is het in hun eigen belang om de patiëntenstroom zo constant en het liefst groeiende te houden. Dat is net als bij een restaurant, winkel of elke andere op winst gebaseerde onderneming.

Als je maar lang genoeg in het behoeftige circuit circuleert, kom je er achter dat de bedrijfsarts als het ware de leverancier is. De internist is de restauranthouder, de neuroloog is de drie Michelin-sterren kok en de huisarts is de cafébaas.

Zo verwees de bedrijfsarts mij door naar de internist. Om daar een afspraak te kunnen maken had ik een verwijsbrief nodig van de huisarts. Die bleek mooi op vakantie te zijn, uiteraard met het geld van de kerstbonus. Het betekende wel dat ik tijdens het verlof van de praktijk maar mooi twee weken thuis moest wachten op de terugkeer van de gebruinde arts. Oh, die twee weken konden nog wel bij de tien weken die ik al thuis op de bank lag te creperen van de pijn. De neuroloog had bij haar onderzoek niet kunnen vinden waar ze naar op zoek was en adviseerde me om maar ‘gewoon’ te beginnen met de antibiotica kuur die mijn huisarts vier weken eerder al had voorgeschreven zonder dat hij de oorzaak van mijn klachten kende.

Uiteindelijk weten we met al die specialisten en al die geleerde koppen nog niet wat het is. Maar, hey, ze weten wel hoe riant de kerstbonus van dit jaar er uit zal zien. Chapeau. Ik ga me omscholen tot schrijvende arts. Niet!

Geef de kerstbonus maar aan de Navy Seal. Dan heb ik tenminste nog het idealistische en het hoogst naïeve beeld dat hij in elke aflevering van de serie de wereld, en daarmee alle integere en rechtschapen artsen redt.

 

Tot gauw,

 

 

Ber Runderkamp

Schommelstoel

In een schommelstoel zit ik en laat mijn voeten in het zonlicht baden. Hommels en bijen vliegen om de margrietjes heen. De laatste magenta paarse blaadjes hangen hittemoe naar beneden. Met mijn ogen gesloten zie ik de wereld om me heen. Zonder pijn, zonder verdriet en zonder angst. Maar dat is geen echte wereld. Althans niet een die mensen kunnen creëren. Of kunnen we dat wel?

Iemand zei ooit; ‘De wereld zal vrede kennen als de macht van liefde, de liefde voor macht overwint.’ Laat de persoon die dit zei nou een virtuoos gitarist zijn geweest. Niet dat ik mezelf virtuoos noem. Maar wel gitarist, en ik kan mijzelf goed vinden in die uitspraak. Want macht is machtig. Het geeft je een euforisch gevoel wanneer je de macht over iemand hebt. Ik heb dat altijd al gevaarlijk gevonden. Niet zozeer om het idee van macht, maar meer het idee dat iemand de macht over een ander zou willen.

Stel, we kunnen de liefde voor macht overwinnen. Dan zouden we allemaal op enig moment in die schommelstoel zitten. Genietend van de zon. Onze ogen dicht en de wereld zien zoals we hem willen zien. Het zou prachtig zijn. Een perfecte wereld. Maar als we perfect waren, dan zouden we waarschijnlijk niet op aarde zijn. Dus moeten we eigenlijk blij zijn dat we niet perfect zijn en mogen streven naar een echte wereld zonder liefde voor macht. En meer schommelstoelen.

Exceptioneel Konvooi

Vorige jaar rond deze periode werd ik wakker in een droom. Vreemde geluiden dreven door het open raam mijn oververhitte kamer binnen. Met alleen mijn boxershort aan sprong ik vanaf twee hoog uit het raam en rende naar de oorsprong van het geluid…… hey, het was nu eenmaal een droom.

Het geluid kwam uit de Velsertunnel. In eerste instantie vond ik dat niet zo gek. Ze waren immers bezig met de renovatie ervan. Maar dit geluid had ik niet in de eerste plaats verwacht op een bouwplaats. Meer op een Science-fiction filmset. Hoewel het ook wel iets weg had van een Franse Chanson. Viktor Lazlo’s – Canoë Rose bijvoorbeeld. Hetgeen zoveel betekent als roze kano. Eventueel kan het ook nog rooskleurige kano betekenen. Laten we dit maar onder de noemer ‘verloren in vertaling’ scharen en niet teveel waarde hechten aan deze referentie.

Ik kreeg het fantasierijke idee dat ze tijdens de negen maanden renovatie van de tunnel een geheim project aan het uitvoeren waren. Namelijk het bloot leggen van een lang bewaard geheim. Een ruimteschip dat onder de tunnel begraven lag. Eens in de vijfenzeventig jaar moest het schip onklaar gemaakt worden voordat het koers zette naar een sterrenstelsel duizenden lichtjaren hier vandaan.

In de droom eindigde ik tegen een hek waar te hoge vrachtwagens van de weg worden geleid langs een zij-ingang van de oprit naar de tunnel. Het hek weerhield me ervan om de tunnel in te kunnen om mijn fantasierijke idee te staven. Teleurgesteld keerde ik om en werd opgeschrikt uit mijn dromerige gedachten door het alarmsysteem van de tunnel. ‘Attentie, attentie, dit is een noodgeval. Verlaat uw voertuig en begeef u richting de dichtstbijzijnde uitgang.’ De mededeling herhaalde zich een drietal keer en ging vervolgens verder in het Engels. Gelukkig ben ik de Engelse taal enigszins machtig anders had ik mezelf verloren gewaand in mijn droom.

Toen ik later die nacht ontwaakte stond ik op en liep naar het raam. Ik stak mijn hoofd naar buiten en keek naar beneden. Ik achtte het onmogelijk om naar beneden te springen zonder kleerscheuren. Dat was het enige van de droom dat ik onwaarschijnlijk vond. De rest kon allemaal waar zijn. Waar anders voor hadden ze negen maanden de tijd nodig? Negen maanden! In negen maanden tijd groeit een vrouw een nieuw mens in haar buik, is een voetbalseizoen voorbij en blijft van de seizoenen alleen de winter over. Dat toch al mijn minst favoriete seizoen is.

Voor de renovatie van de tunnel was het om de haverklap raak tot irritatie van medeweggebruikers die in kilometerslange files zich stonden te verbijten. Niet alleen files waren het gevolg, ook trillende koffiekopjes. Soms dacht ik aan het afkicken te zijn van de koffie, gezien mijn trillende handen. Gelukkig was het dan een te hoge vrachtwagen.

Zo kwam mijn vriendin eens diep in de nacht doodmoe onze straat ingereden om tot haar grote schrik een voertuig met zwaailichten voor zich te zien. Ze werd vriendelijk verzocht om achteruit te rijden de straat uit, omdat er een ‘convoy exeptionnel’ aankwam van twee vrachtwagens en lading. Ze mocht door de te hoge vrachtwagen niet eens haar eigen straat inrijden. Bah. Dit terwijl mijn vriendin voor mij juist exceptioneel is en soms ook een konvooi met alle toeters en bellen. Hier komt dan ook weer de verwijzing naar een Franse Chanson. Misschien kan Viktor een prachtig nummer maken over het ‘exeptionnel convoy’ als zijnde een protestlied tegen de Velsertunnel.

Volgens de overlevering zouden ze de tunnel tijdens de negen maanden twaalf centimeter dieper maken. Twaalf centimeter! Twaalf centimeter is een klein longdrinkglas. Of de dikte van een goed boek. Twaalf centimeter is ook de lengte van een korte pen of een flinke duim. Maar wat is in hemelsnaam twaalf centimeter op een vrachtwagen van vier meter hoog? Het is alsof ze de omwonenden willen zeggen, we zijn bezig met het probleem van de twintig te hoge vrachtwagens die dagelijks langs jullie huizen denderen en scheuren en verzakkingen veroorzaken. Die twintig willen we verlagen tot maar tien vrachtwagens per dag. Over vijfenzeventig jaar richten we ons dan op een verwaarloosbaar aantal van vijf te hoge vrachtwagens per dag. Oh, maar dan leeft u natuurlijk allang niet meer en zitten uw kleinkinderen met een gescheurd huis opgescheept. Had verdomme een meter uit die tunnel gehakt. Dan waren we van alle problemen verlost.

Natuurlijk zullen ze er hun bouwkundige redenen voor hebben gehad. Hoewel ik totaal niet bouwkundig ben aangelegd, zal het hoogst waarschijnlijk iets te maken hebben met de druk die het water uitoefent op de tunnel. Maar zolang ik nog tien keer per dag de jingle van het alarmsysteem voor de tunnel hoor schallen; ‘Attentie, attentie, uw vrachtwagen is te hoog voor de tunnel. Verwijder uw voertuig zo spoedig mogelijk via de uitrit baan naar een alternatieve route.’ Hadden ze voor mij part beter in negen maanden tijd een brug over het kanaal kunnen maken en daarmee niet alleen de huizen van omwonenden gered, maar ook een hoop fileleed bespaart. Behalve dan voor Sail. Maar zeg dan zelf, schepen en boten file zien varen is toch veel mooier dan auto’s.

 

Tot gauw,

 

Ber Runderkamp

Vers gemaaid gras en duindoorn

Iets deed me ontwaken. Kwijl liep over mijn kin en maakte een donkere vlek op het grijze kussen. Ik had geslapen, ja zeker wel. Dat was voor mij al heel wat. Een wereld van verschil. Of het de fluitende merels waren die voorbij het woonkamerraam vlogen en zich in de magnolia nestelden. Of de grasmaaier die bezig was het parkje aan de overkant van de straat te trimmen. Wat de reden ook was, ik vervloekte mezelf voor het open laten van het raam. Kon ik mezelf dat vergeven? Enigszins, de hitte had me ertoe verleid het raam op een kier te zetten om het lichte briesje door het huis te laten waaien. Met het briesje komt de geur van vers gemaaid gras naar binnen. Nooit gedacht dat ik daar kippenvel van kon krijgen. Niet alleen op mijn armen, maar ook op mijn benen en over mijn rug. Alsof het een bemoedigende hand is van iemand die je niet kunt zien, maar vanbinnen weet je dat hij of zij er is.

Terwijl ik het kwijl van mijn kin veeg met het kussen, dat toch al nat was, richt ik mezelf enigszins op. Langs de magnolia zie ik mensen op het schelpenpad in hun korte broek of rokje en slippers. Ze laten hun hond uit. Voor mijn huis langs loopt het pad naar het Noordzeekanaal. Het is een ideale uitlaatplek. En blijkbaar hoeft hier de stront van hun huisdier niet opgeruimd te worden ondanks de borden langs het pad die dat toch duidelijk aangeven. ‘Hey, als hij het niet doet, waarom zou ik het dan wel opruimen?’ Mijn buik vult zich met medelijden voor de man die het gras maait zonder cabine die hem van allerhande objecten of weersinvloeden beschermt. Ik kan me voorstellen dat het stront zo nu en dan om zijn oren vliegt. Dat moet bij thuiskomst voor hilarische taferelen zorgen:

‘Hey schat, hoe was het op je werk?’

‘Oh, wel goed, ik heb vandaag een honden-uitlaatplaats gemaaid, zonder honden te overrijden.’

‘Ja, ik zie het!’

De donkere wolken in mijn hoofd zwellen aan als ik naar de mensen kijk. Hun laaghangende schouders, aandacht op mobieltjes, schreeuwend naar hun hond of schreeuwend naar voorbijgangers omdat ze te luidruchtig zijn. Zij kunnen tenminste naar buiten. Denk ik, terwijl ik kreunend rechtop kom en aan gisteren denk. De autorit van bijna twee uur lijkt kwellend voor iemand die amper kan lopen en de bank als beste vriend beschouwt. Toch was het ritje een welkome afwisseling in de tergende sleur van het espressobruine stof en een laptop voor mijn neus.

Het kleine stukje lopen naar de auto voelde als een wereldreis, maar een reis met de wind in de rug als het ware. Elke keer als ik in de auto stap en mezelf naar een arts laat rijden door mijn privé chauffeuse, die toevalligerwijs ook nog eens de liefde van mijn leven is, voel ik me gesterkt in de overtuiging dat mijn gevoel geen denkfouten maakt. Voordat we onze reis begonnen, stopten we voor een tankbeurt. De geur van de benzinedamp bedwelmde mijn gemoed en ik kreeg sterk het verlangen om ergens verslaafd aan te raken. Al was het maar aan mijn eigen gedachten. Of de overtuiging van iemand anders die me op een andere manier naar dingen laat kijken. Konden we maar eeuwig bij het benzinestation blijven staan, dacht ik. Maar het claxonneren van een ongeduldig wachtende malloot stak daar een stokje voor.

Halverwege de rit naar de andere kant van het land bleef de live-cd met daarop uitvoeringen van jaren tachtig hits hangen en creëerde onbedoeld een vette mix van dance muziek en thunderdome ritmes. Ik wist niet hoe gauw ik het volgende nummer moest aanzetten. Terwijl ik mijn ogen de kost gaf aan de voorbijrazende omgeving, kwamen de eerste toetsen van Elton John’s ‘Your Song’ uit de speakers. Het evenredig mineur als majeur gestemde nummer deed ons beide zwijgen. De woorden leken nog meer betekenis te dragen en lieten de landingsbaan van Schiphol en de chagrijnig kijkende mede weggebruikers vervagen in een waas waarin alleen wij tweeën achterbleven. Liefkozend pakte ik haar hand van de versnellingspook en kneep zachtjes. Hoe zoetsappig het ook klinkt, haar hand was een reddingsboei voor mij in deze staat en dit humeur.

Na het horen van de bevindingen van de arts stapten we enigszins verward en melancholisch in de auto. De diagnose was duidelijk, de behandeling ook. De uitkomst echter niet. De onzekerheid daarvan en het vooruitzicht van slapeloze nachten en een beproevende periode deed ons weer zwijgen.

Tijdens de terugrit dacht ik aan de zoete geur van de Margrietjes die sinds een paar dagen bloeiden op het balkon. Twee maanden terug kocht ik een houten balkon-set tafel plus stoelen. Ik heb ze een keer uitgestald op het balkon gezet, een foto gemaakt en opgeborgen. Daarna hebben we er niet meer op gezeten omdat ik de bank tot nieuwe beste vriend maakte. Vanwege mijn onvermogen om te lopen, fietsen of autorijden, heeft mijn vriendin de gewoonte ontwikkeld om bodylotion te gebruiken die geuren naar wildbloemen en kruiden. Zodat ik me af en toe in de bossen en duinen waan. Laatst wees ik haar op Duindoorn. Die geur is zo intens. Volgens Dokter Hauschka ruikt de vrouwelijke bloem van de duindoorn naar kruidige honing. Weleda gebruikt de volgende beschrijving:  ‘Heb je behoefte aan een zonnige sfeer, smeer je handen in met Duindoorn Handcrème. Omdat de geur zo zomers is.’ Bij een recensie door een van de gebruikers van de crème schreef ze dat het haar harmoniseerde wanneer ze zich somber en verdrietig voelde. Vandaar dat ik mijn vriendin constant in de buurt wil hebben. Ze doet zo zomers aan en harmoniseert mij en mijn gemoed. Ik kan niet meer zonder je.

Om Elton John nog een keer aan te halen en te vertalen:  ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt, dat ik dit met woorden breng. Hoe mooi het leven is, als jij er bent.’ 

Telkens wanneer mijn hoofd zich nu vult met donkere wolken, denk ik aan het vers gemaaide gras en de duindoorn op je huid.

Wachten

Wachten is toch wel een aspect van het leven waar menig mens moeite mee heeft. Natuurlijk hangt het van de situatie af. Maar wachten voor een rood stoplicht of wachten voor het zebrapad als er een bejaarde vrouw voorbij loopt op het tempo van een slak die lunchpauze heeft, is natuurlijk altijd weer een op de proef stelling van geduld. Het feit dat die bejaarde vrouw haar bed is uitgekomen en een hele reis te ondernemen om boter kaas en eieren te halen bij de lokale buurtsuper, daar gelaten.

Zelf verander ik in een beest wanneer ik een auto bestuur.

Ik word niet agressief in mijn handelen maar meer verbaal actief. Menig scheldwoord vliegt dan door de cockpit van mijn voertuig. Gelukkig luistert niemand mee wanneer het stoplicht op groen springt en de eerste wachtende bestuurder in slaap lijkt te zijn gedommeld. Als de colonne auto’s dan na tien seconden op gang komt heb ik al een halve Van Dale aan scheldwoorden gevonden om mijn frustratie op bot te vieren. Gelukkig is het stuur van enigszins duurzaam materiaal gemaakt, anders had ik voor de vervanging van het stuur ook nog eens een abonnement bij de garage.

Wachten op de uitslag van een examen, de trein die laat is, de magnetron als je sterft van de honger of wachten op de twee wachtende voor u om een medewerker aan de lijn te krijgen voordat je dan eindelijk je lidmaatschap kunt opzeggen van een goed doel. Dat nota bene gebruik maakte van dood irritante ‘boodschappers’ te herkennen aan de klemborden en vuurrode of donkerblauwe vesten. Je kent ze wel, de abonnementsslijters met gladde praatjes. Die op hun beurt misbruik maakten van je onoplettendheid onderweg naar je werk en twee minuten van je tijd wilde om uit te leggen waar het goede doel voor dient. Om maar van de dwingende medewerker af te zijn, vulde je snel je bankrekeningnummer en je persoonsgegevens omdat je te beleefd en te goedmoedig was om ‘nee, ik heb geen interesse’ te zeggen. In dit geval is de ‘je’ die ik gebruik, ikzelf. Ja, ik ben er in getrapt. Meerder keren moet ik in alle eerlijkheid bekennen.

Kortom, wachten is niet fijn. Maar het is nog altijd beter dan wachten op je laatste dag. Daarom wacht ik liever wat langer voor een stoplicht. Of getrouw tot de telefoon gaat. Of op het piepen dat aangeeft dat mijn eten warm is.

Dat gezegd hebbende, had ik achteraf beter even  kunnen wachten en aandachtig luisteren naar wat de ‘boodschapper’ te verkopen had. Dan had ik nu waarschijnlijk niet wachtend aan de telefoon gehangen met een rood hoofd en het schaamrood op de lippen omdat mijn buurman door het open raam mijn scheld kanonnade waarnam.

Het wachten nu is, op reacties, van andere buren.

 

Tot gauw,

 

Ber Runderkamp